|
Het is of Chinees eten beter smaakt als men het met
eetstokjes nuttigt. Omdat er maar een paar stukjes tegelijk
opgepakt kunnen worden daalt het tempo van de maaltijd
en wordt deze ontspannen en aangenaam. Bovendien kan
men elk stukje duidelijker proeven en waardeert men
de wisseling van smaak tussen de gerechten onderling
en tussen de saus en de gerechten beter. Als men eetstokjes
gebruikt kan de saus ook nooit overheersen: men krijgt
alleen maar de hoeveelheid saus in de mond die aan een
stukje voedsel blijft kleven.
Soorten eetstokjes. De meeste stokjes
zijn 25 á 30 cm lang en ongeveer zo dik als een
potlood. (Eetstokjes voor kinderen zijn soms niet langer
dan 12 cm; die van de gastheer en gastvrouw - om erg
lekkere stukjes aan hun gasten door te geven - tot een
halve meter.) De bovenste helft, die in de hand gehouden
wordt, is vierkant; de onderste helft, om het eten mee
op te pakken, is rond.
Eetstokjes worden gemaakt van diverse
materialen: bamboe, hout, koraal, jade, zilver of ivoor.
Deze laatste zijn voor de Chinezen, wat tafelzilver
voor de westerlingen is; ze zitten ook vaak aan de bovenkant
met een zilveren kettinkje aan elkaar. Ivoren eetstokjes
krijgen na enige tijd een vage gele tint. Ze moeten
met grote zorg behandeld worden: ze zijn zeer gevoelig
voor ternperatuurwisselingen; als ze aan grote hitte
blootgesteld worden kunnen ze kromtrekken of bruin worden
en barsten. Ze moeten na het gebruik even in een lauw
sopje gedompeld worden en dan goed afgespoeld en afgedroogd
worden.
Hoe eetstokjes te gebruiken.
Bij het eten worden de stokjes altijd per paar gebruikt;
bij het koken vaak afzonderlijk. Hoewel de stokjes gelijk
zijn hebben ze verschillende functies. Het ene wordt
stilgehouden terwijl het andere beweegt; samen werken
ze als een soort tang.
Om de werking van eetstokjes te begrijpen
moet men beginnen met het stokje dat stilgehouden wordt:
houd de rechterhand in een ontspannen, halfgeopende
stand, plaats het eerste stokje tussen het topje van
de ringvinger en de onderkant van de duim. (De duim
tegen het vierkante gedeelte, de ringvinger halverwege
het stokje.) De toppen van duim, wijs- en middelvinger
moeten vrij zijn om het andere stokje vast te houden.
Het tweede is het bewegende stokje:
plaats dit tussen het topje van de duim en de toppen
van wijs- en middelvinger; houd het losjes vast en beweeg
het op en neer tegen het stilgehouden eetstokje. Om
een stukje voedsel op te pakken drukt men de middelvinger
naar boven; de toppen van de stokjes gaan dan van elkaar.
Om het eten vast te houden drukt men dezelfde middelvinger
weer naar beneden; het voedsel wordt dan tegen het stilgehouden
stokje geklemd. Hierna brengt men het eten met een pols
/ armbeweging naar de mond.
Het is belangrijk dat de toppen van
de eetstokjes te allen tijde op gelijke hoogte zijn.
(Men kan ze even op het bord of tegen de palm van de
hand tikken.) Als de topjes van de eetstokjes niet op
gelijke hoogte zijn werken ze niet.
Er zijn maar weinig mensen die voor
de eerste keer stokjes gebruiken en er dan gelijk al
ontspannen mee eten. Beginnelingen hebben de neiging
de stokjes te krampachtig vast te houden; dit veroorzaakt
gespannen spieren en een soort 'tennis-elleboog' maar
dan in de handen.
Als eetstokjes stevig maar toch losjes
vastgehouden worden komt er helemaal geen inspanning
bij te pas; na wat oefening gaat men ze automatisch
hanteren. De stokjes kunnen trouwens met zoveel kwiekheid
en vaart bewegen dat de Chinese benaming ervoor 'vlugge
jongetjes' is.
Eetstokjes en gesneden bestanddelen.
Eetstokjes kunnen elk vast voedsel oppakken, mits dit
in hapklare stukjes gesneden is. Dobbelsteentjes vlees
kunnen stevig tussen de toppen van de stokjes geklemd
worden; grotere stukken kunnen met de stokjes gebroken
of gescheurd worden. (Stokjes parallel aan elkaar houden,
loodrecht boven het voedsel; dit voedsel in het midden
met stokjes doorboren en dan de toppen openen.) Glad
fijngemalen eten wordt vaak meer geschept dan gepakt.
De stokjes worden parallel aan elkaar vastgehouden en
onder het eten geschoven, waarna dit met een lichte
polsbeweging wordt opgetild.
Eetstokjes en ongesneden bestanddelen.
Bepaalde producten die van nature zacht zijn (vis) of
dit door lang sudderen worden (eend) worden vaak heel
opgediend. Dit is mogelijk omdat men met de eetstokjes
gemakkelijk het vlees van graat of been kan afpakken.
Vooral met vis is dit een zeer verfijnde manier van
eten.
Andere ongesneden bestanddelen moeten
weer anders benaderd worden: hele reuzengarnalen bijvoorbeeld,
worden met de stokjes stevig vastgepakt en dan keurig
in meerdere hapjes opgegeten. Mieslierten worden met
een stuk of tien tegelijk opgepakt; men bijt er een
mondvol af en de rest wordt teruggelegd in de kom.
Eetstokjes en rijst.
De Chinezen eten hun rijst uit een kom. Deze houdt men
in de linkerhand met de duim op de rand, terwijl wijs-
en middelvinger de bodem vasthouden. De eetstokjes in
de rechterhand brengen de rijst naar de mond met dezelfde
lichte schepbeweging als waarmee men fijngehakte bestanddelen
eet. Om bij de laatste korrels op de bodem te komen
brengt men de kom naar de lippen en wordt de rijst vlug
rechtstreeks in de mond geschept. (Beginnelingen wordt
afgeraden om met stokjes rijst van een plat bord te
eten; men krijgt ontmoedigend weinig binnen!)
|